Vliegen zonder vleugels

Bijgewerkt op 14.02.2018GastbloggerGastblogger

Neen, België en Nederland sturen geen schansspringer naar de Spelen. Maar als er één discipline tot de verbeelding zal spreken in PyeongChang, dan wel het skispringen. Kan je die sport als volwassene nog aanleren of is het dan al veel te laat? Onze journaliste trok naar Tirol om het uit te zoeken…  en kwam terug met een (officieus) Belgisch record.

Dit avontuur start in Innsbruck, bovenaan de Bergiselschans, één van de vaste locaties van het bekende Vierschansentornooi. Met haar 128 meter hoogteverschil tussen start en landing is deze schans niet alleen een indrukwekkend staaltje architectuur, ze is ook angstaanjagend steil en hoog. De aanloop is maar liefst 98 meter lang. Wie hier naar beneden gaat, is gek. Goed gek!

Ik ontmoet er Martin Schmid (21), de trainer van het Oostenrijkse junioresteam en tot twee jaar geleden zelf nog een professionele skispringer. Zijn record op de Bergisel: 133 meter. Zijn verste sprong ooit: 170 meter. “Maar dat was op een schans om te skivliegen, een nog extremere discipline dan het skispringen. Daarin staat het wereldrecord op 253,5 meter.” Bon, laten we het toch maar houden bij ‘gewoon’ skispringen.

©Carlos Blanchard

Les 1: naar de sportschool

Martin neemt me mee naar het Skigymnasium in Stams, een topsportschool voor o.a. skispringers. Ik moet hier eerst de fitnesszaal in, kwestie van morgen stabiel en met vertrouwen die schans af te skiën. “In het skispringen zijn er vier belangrijke fases: de aanloop, afzet, vlucht en landing”, legt Martin uit. “Belangrijk in alle fases is uiteraard je houding.” Waarop hij me meteen in de startpositie zet. “Zo diep mogelijk door je knieën, rug recht, armen naast je lichaam. Oké! Meteen goed.” Waar een paar yogalessen al niet goed voor zijn.

Om die vier fases ook te kunnen trainen ‘op het droge’,  heeft het Skigymnasium een resem toestellen in huis, zoals een minischans waarvan je met een soort skateboard af kan glijden, om dan af te zetten en te landen op een dikke mat. Fun! Maar ik heb al snel door dat ik aan véél tegelijk moet denken. En dat stabiliteit, timing en concentratie cruciaal zijn.

Wat moet een goeie schansspringer nog in huis hebben?

Martin Schmid: “Je moet vooral een beetje gek zijn. (lacht) Sprongkracht is ook belangrijk. En hoe lichter, hoe beter. Ja, wie zwaarder is heeft een hogere aanloopsnelheid, maar het is vooral tijdens de vlucht dat je het verschil maakt, en dus weeg je toch best zo weinig mogelijk.”

De vraag die ik alvast het meest kreeg: hoe leer je een mens in godsnaam schansspringen?

“De beste leeftijd om ermee te beginnen is 9 à 10 jaar. Op je 15de moet je al pro zijn, anders gaat het je niet meer lukken. Je moet weten: de kinderen die beginnen met schansspringen kunnen al skiën, en ze hebben op hun ski’s meestal ook al wel jumps gedaan. We laten hen eerst wennen aan het materiaal, en dan gaan ze naar de kleinste schans: een K5. Stilaan bouwen we op naar grotere schansen: de K15, 25, 40 en dan gaat het van 60 naar 90 naar K120.”

Dat K-cijfer staat niet voor de hoogte of de lengte van de aanloop?

“Neen, dat cijfer is de afstand die een atleet onder normale omstandigheden moet kunnen springen op die bewuste schans. Het K-cijfer bepaalt ook mee de score.  Land je precies op het K-punt, dan krijg je 60 punten. Elke meter verder levert  1,8 punt extra op; elke meter minder betekent 1,8 punt aftrek. Je wil bovendien niet enkel zo ver mogelijk springen, maar ook zo mooi mogelijk. De jury beoordeelt daarbij je vlucht, de symmetrie, de stand van de ski’s, de landing… Die twee scores bepalen je eindresultaat.”

©Carlos Blanchard

Les 2: de gewenning

Volgende plaats van afspraak is Absam, een dorpje in de buurt van Innsbruck met een aantal kleinere schansen – van K5 tot K70 – pittoresk verborgen in het bos. Martin maakte hier op z’n elfde z’n eerste sprong ooit. Na één poging op de K5 ging hij meteen over naar de K15. Op z’n élfde. Of ik op m’n 36ste in staat ben om hetzelfde te doen? Volgens de coach wel. “Maar vergeet die schans nog heel even. We gaan eerst een paar keer rechtdoor van een gewone helling af, zodat je kan wennen aan de ski’s.” En of dat nodig is: voor mijn 1,69 meter heb ik latten van 11 centimeter breed en maar liefst 2,45 meter lang onder de voeten. Maar jawel: rechtdoor gaan lukt. Beter dan remmen zelfs.

 

Les 3: de eerste sprong

Zodra ik op het bankje bovenaan de K5 zit en ik mijn ski’s in de sporen gemikt heb, weet ik: dit kan ik. De babyschans is een meter of negen lang en de landing lijkt niet al te steil. “Zodra je afzet, trek je je tenen naar je toe en strek je je benen. Let wel op: omdat de verse sneeuw op de landing je ietwat zal afremmen, moet je een beetje meer naar achteren leunen dan ik je gisteren geleerd heb. Anders val je met je gezicht eerst en zou je wel eens een stukje vel kunnen missen.” Als ik nu eens wist wat “naar achteren leunen betekent”… Maar goed. Ik vertrouw Martin, geniet van het uitzicht en overloop wat ik moet doen: voeten flexen, benen strekken, poep omlaag! “Zet je bril op. Drie, twee, één: go!” Ik vertrek, land en val op het einde van de remfase. Of ik goed besef wat er allemaal gebeurd is? Totaal niet. Het enige wat ik kan zeggen is: “Ik wil nog!”

Was jij destijds nooit bang om te vallen?

“Neen. Maar eigenlijk loopt het bij skispringen niet zo heel vaak mis. Jonge alpine skiërs bijvoorbeeld, die hebben tegen hun 18de al allemaal minstens één zware blessure gehad. Schansspringers niet. Maar als het dan wél eens misloopt, dan loert angst om de hoek natuurlijk, en kan het heel gevaarlijk worden. Een skispringer speelt in de lucht constant met de grens tussen vliegen en crashen. Zodra je bang bent, voel je die grens niet meer en is het over. Daarom ook dat heel goeie skispringers soms ineens uit de top verdwijnen. Of andersom: dat een onbekende plots een groot tornooi wint omdat hij ineens dat goeie gevoel te pakken had.”

Ik ben na een paar sprongen al best moe. Vreemd, want veel doe ik niet.

“Onderschat het niet. Mijn atleten trainen twee keer per week op de schans, en ze doen dan een sprong of vijf, zes. Ze zijn dan bijna twee uur in de weer voor amper 35 à 40 seconden airtime. In die tijd spannen ze wel ál hun spieren op om stabiel te blijven, en ook de adrenaline vreet energie. Maar je hoeft niet per se op een schans te staan om beter te worden. Wij gebruiken ook visualisatietechnieken om te oefenen. De atleten trainen door zich de sprongen in te beelden.”

Moest ik hier niet zo staan zweten, dan zou ik nog zeggen dat dit geen ‘echte’ sport is.

“Wel, skispringen is zeker geen sport als een ander, waarbij je automatisch beter wordt door te trainen. Je kan keihard trainen, er alles voor doen, en toch niet beter worden op de schans. Het is een harde sport, want je hebt ook maar heel weinig kansen om te winnen. Trainen, alles geven én misschien nooit winnen: dat is skispringen.” (lacht)

Les 4: de K15-schans

Na een poging of zeven op de K5 groeit het vertrouwen, verbetert mijn techniek en bereidt Martin me mentaal voor op de K15. Want zodra ik bovenaan díé schans zit, is het serieus slikken. Deze aanloop is 25 meter lang. Het zal net geen drie seconden duren voor ik er vanaf jump, met een snelheid van ongeveer 45 km/u. “Zin in een sigaret”, grapt de fotograaf terwijl ik een adempauze neem. Hij blijkt het te menen. In het verleden rookten heel wat schansspringers wel eens een sigaretje om rustig te blijven. “Maar jij hebt die niet nodig. Je kan dit. Bril op, go!” Ik vertrek. Ben verrast door de snelheid. Mis mijn afzet. Land te vroeg, op het steilste stuk, en val hard. Enter de hersenspinsels en angst. “Niet te lang nadenken nu. Je weet dat je het kan”, roept Martin als ik klaar zit voor poging twee. En jawel: ik blijf overeind en hoor applaus achter me. Acht meter! “Als je krachtiger springt bij de afzet, kan je zeker tot aan vijftien meter geraken”, weet de coach. Twee pogingen om m’n record te verbeteren blijken nutteloos: m’n bovenbenen zijn op, en inderdaad: adrenaline kost een mens ook energie.

©Carlos Blanchard

Zomaar in het niets duiken is één zaak. Ook nog eens kracht zetten op de afzet een andere.

“Ja. In Innsbruck bijvoorbeeld kom je met 90 à 95 km/u op de afzet af. En dan moet je niet alleen springen, maar dus ook nog eens die versnelling naar voren inzetten. Ik verzeker je: je lichaam wíl dat niet, zo naar voren pushen. Dat is oefenen, oefenen, oefenen.”

Hoe hoog zweven jullie boven de begane grond? Op tv is dat amper in te schatten.

“Wel, op de Bergisel hang je een meter of vijf boven de piste. Dat is niet zó hoog, maar je vliegt dan wel met een snelheid van bijna 100 km/u. De echt goeie springers komen op een bepaald punt bijna tegen de grond en stijgen dan opnieuw op om extra meters te pakken.”

Ik heb niet graag wind tegen, maar skispringers wel?

“Klopt. Als de wind van voren komt, kan je erop zweven. Komt hij van achteren, dan duwt hij je tegen de grond. Iedereen heeft al wel eens z’n hand uit het raam gestoken van een rijdende auto. Wel, dat is vergelijkbaar met wat skispringers doen in de lucht. Als je je vingers dan voorover plooit naar de grond, dan wordt je hand naar beneden geduwd. Dat wil je als schansspringer niet. En andersom, als je je vingertoppen te fel naar de lucht laat wijzen, dan vliegt je hand achteruit. Zo is het bij schansspringen ook – dat is die grens tussen vliegen en crashen waarover ik het net had.”

Hoe voelt het om te vliegen zonder vleugels?

“Alsof je gewichtloos bent. Je kan het nergens mee vergelijken. De mens heeft altijd al willen vliegen. Wel, dit komt er héél dicht bij. Schansspringen is niet zomaar springen en vallen. Je vliégt echt, en dat is magisch.”

 

ZIJN DRIE TIPS

  1. De aanloop: neem een zo diep en aerodynamisch mogelijke houding aan.
  2. De sprong: just jump!
  3. De vlucht: strek je benen en trek je tenen naar je toe.

©Carlos Blanchard

Een Belgisch record?

Of er al ooit een Belgische vrouw een poging tot skispringen gedaan heeft? Het kan haast niet anders van wel.
Maar of die sprong ook opgemeten werd, is een andere vraag. Bij Sneeuwsport Vlaanderen, de Vlaamse ski- en
snowboardfederatie, staat er alvast geen record genoteerd. Wat zou betekenen dat onze journaliste een officieus
Belgisch record op haar naam heeft. Het record bij de mannen is op dit moment in handen van Rembert Notten.
De Limburger sprong in 2012 35 meter ver.

 

Over Julia Valle

Julie is een echte ‘lover of life’. Ze werkt als journaliste, is yogadocent en houdt van snowboarden, wakeboarden, fietsen en supyoga – allemaal activiteiten die in Tirol veel leuker zijn dan in thuisland België. Heeft op reis altijd water, sneeuw of natuur nodig. De bergen zijn haar favoriete fitnesszaal. Droomt ervan te verhuizen naar Innsbruck.

 

Gastblogger

Deze blog is door een gastauteur geschreven. Meer informatie over de auteur lees je in de blog.

Over de auteur »

Geen reacties

Omhoog
nach unten